|
|
| |
| Onze gegevens |
 |
Burgers Letselschade
Provenierssingel 1 A
3033 ED Rotterdam
Tel. 010 – 4677500
Fax 010 – 4677200
info@burgers-schade.nl
|
|
|
|
|
Verhaal van re-integratiekosten
De verantwoordelijkheid voor de inkomensbescherming van de zieke werknemer is het laatste decennium ingrijpend gewijzigd. Tot 1 januari 1994 had de zieke werknemer ingevolge de Ziektewet (ZW) aanspraak op een uitkering van 70% van het dagloon gedurende 52 weken. Vanaf die datum is de rol van de ZW langzaam maar zeker beperkt. Aanvankelijk diende de werkgever gedurende de eerste zes (of twee) weken van het ziekteverzuim 70% van het loon door te betalen. Daarna is deze verantwoordelijkheid van de werkgever in twee stappen verder uitgebreid. Per 1 maart 1996 werd zijn loondoorbetalingsplicht verlengd naar 52 weken, en vervolgens per 1 januari 2004 naar 104 weken. Deze laatste wijziging hield verband met en liep vooruit op de inwerkingtreding van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 29 december 2005.
Als gevolg van een herziening van de Wet uitbreiding loondoorbetaling bij ziekte (WULBZ) is op 13 juni 2008 een wetswijziging van kracht geworden, waardoor werkgevers en UWV de kosten van re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers kunnen verhalen op de veroorzaker van de arbeidsongeschiktheid. De wetswijziging heeft geleid tot aanpassingen in het BW, de Wet WIA en een aantal andere arbeidsongeschiktheidswetten zoals de WAO, WAZ en Wajong.
De achterliggende doelstelling van de wetswijziging is om werknemers die zijn uitgevallen weer zo snel mogelijk aan de slag te helpen. Onduidelijkheid over de verhaalbaarheid van de re-integratiekosten vormde daarvoor een belemmering. Werkgever en UWV liepen vaak tegen de stelling aan dat verhaal alleen mogelijk was als de werknemer, indien hij de kosten van re-integratie zelf had gemaakt, deze ook had kunnen verhalen. Een ander verweer dat vaak werd gevoerd, was dat de werkgever en/of UWV wettelijk verplicht zijn -re-integratieactiviteiten te ontplooien. Daarmee zouden het geen kosten zijn die de werknemer zelf zou hebben gemaakt.
Het zou nog jaren kunnen duren voordat de Hoge Raad over dit soort vragen duidelijkheid zou geven. Door de wetswijziging zijn de belemmeringen weggenomen en kan de aansprakelijke derde of diens aansprakelijkheidsverzekeraar dergelijke verweren niet langer voeren.
De wetswijziging is met ingang van 13 juni 2008 van kracht geworden en heeft onmiddellijke werking. Er is overgangsrecht van toepassing.
Re-integratieplicht werkgever
De werkgever is niet alleen verantwoordelijk voor de inkomensbescherming, maar ook voor de re-integratie van een zieke werknemer. Daartoe zijn in art. 7:658a BW aan de werkgever allerlei verplichtingen opgelegd. Voor de overheidswerkgever zijn overeenkomstige verplichtingen neergelegd in onder meer art. 76e ZW en in rechtspositieregelingen. Kern van deze verplichtingen is dat de (overheids)werkgever al het redelijkerwijs mogelijke dient te doen om de kans op werkhervatting te vergroten. Na de periode van loondoorbetaling rusten – in overeenstemming met de doelstelling van de Wet WIA – dezelfde verplichtingen op UWV of de (overheids)werkgever.
Van de (overheids)werkgever en UWV worden daarom de nodige inspanningen gevraagd om de zieke werknemer weer zoveel als mogelijk aan het werk te helpen. Daaraan zijn uiteraard kosten verbonden.
De vraag is opgekomen of de werkgever de kosten van deze maatregelen gedurende de eerste twee jaar ex art. 6:107 BW en daarna ex art. 99 Wet WIA kan verhalen op een aansprakelijke derde. De overheid heeft een grondslag voor regres van deze kosten in de Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA), terwijl UWV art. 99 Wet WIA als basis heeft.
Civiele plafondverweer
In de praktijk is onduidelijkheid gerezen over de vraag volgens welke maatstaf beoordeeld moet worden of en tot welk bedrag deze kosten op een aansprakelijke derde verhaald kunnen worden. Dit vindt zijn oorzaak in het zogenaamde civiel plafond. Zowel in art. 6:107a BW en art. 3 VOA als in art. 99 Wet WIA is immers tot uitdrukking gebracht dat verhaal van deze kosten alleen mogelijk is indien de werknemer, zo hij de kosten zelf zou hebben gemaakt, deze ook had kunnen verhalen. Er bestaat onzekerheid over de vraag onder welke voorwaarden de (overheids)werkgever respectievelijk UWV op grond van deze bepaling hun re-integratiekosten kunnen verhalen. Verzekeraars van aansprakelijke derden leggen deze bepaling meermaals zo uit dat de (overheids)werkgever of UWV aannemelijk moet maken dat, als de (overheids)werkgever dan wel UWV de re-integratiemaatregelen niet had genomen, de werknemer ze dan zelf zou hebben genomen. Deze uitleg betekent dat de (overheids)werkgever en UWV hun re-integratiekosten alleen kunnen verhalen indien aannemelijk is dat de werknemer – zonder de inspanningen van de (overheids)werkgever of UWV – feitelijk ook zelf deze re-integratiemaatregelen zou hebben genomen. Dit is niet eenvoudig, want de (overheids)werkgever of UWV moet dan aannemelijk maken hoe de werknemer zou hebben gehandeld in een fictieve situatie.
Door de wetswijziging wordt duidelijk gemaakt dat de (overheids)werkgever en UWV dit niet meer hoeven aan te tonen. Zij kunnen de redelijke kosten van alle door hun op grond van de wet of een cao ter invulling van die wettelijke verplichting genomen re-integratiemaatregelen -verhalen op de aansprakelijke derde.
De “vervuiler betaalt”
Daarnaast wordt ook duidelijkheid gecreëerd over een ander in de praktijk gerezen twistpunt. Nogal eens is de vraag gerezen of een aansprakelijke derde in beginsel verplicht is om de kosten te vergoeden van de door een (overheids)werkgever of UWV verplicht genomen re-integratiemaatregelen. Omdat zij tot het nemen van deze maatregelen wettelijk verplicht zijn, zijn de daarmee gemoeide kosten – zo was de redenering – geen kosten die de werknemer zou hebben gemaakt. Een werkgever of UWV kan deze kosten dan ook niet verhalen, aldus de redenering, omdat een werknemer ter zake geen schade zou hebben geleden. De Hoge Raad heeft echter meerdere malen uitgemaakt dat het feit dat een derde verplicht is om bepaalde maatregelen te nemen niet afdoet aan de verplichting van de aansprakelijke partij om de kosten daarvan te vergoeden. Het is volgens de Hoge Raad immers primair de aansprakelijke die verplicht is de voor deze maatregelen nodige middelen te verstrekken 1 . Het is als onwenselijk ervaren dat een aansprakelijke derde van zijn verplichtingen wordt ontheven door de enkele omstandigheid dat ook een ander, die de schade niet heeft veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen. Toch wordt in de lagere rechtspraak nog wel eens anders geoordeeld. Daarbij doet het niet ter zake of de re-integratieverplichting van de werkgever op de wet berust dan wel op een bepaling in de (collectieve) arbeidsovereenkomst. Ook in het laatste geval kan de werkgever de re-integratiekosten verhalen op de aansprakelijke derde. Re-integratiebepalingen in een (collectieve) arbeidsovereenkomst zijn immers te beschouwen als een nadere invulling en uitwerking van de in art. 7:658a BW voor de werkgever neergelegde re-integratieverplichting. Evenmin doet het ter zake of de re-integratie-inspanningen tot het beoogde resultaat, te weten werkhervatting, hebben geleid. De re-integratieverplichting voor de werkgever is een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting.
De rechtvaardiging voor verhaal is daarin gelegen dat re-integratie tot doel heeft de werknemer zo snel mogelijk weer aan het werk te helpen waardoor zijn schade wegens verlies van arbeidsvermogen wordt beperkt. Dit is ook in het belang van de aansprakelijke derde, die zodoende minder schade wegens verlies van arbeidsvermogen hoeft te vergoeden. De mogelijkheid van verhaal van deze kosten heeft ook het voordeel dat werkgevers – wetende dat zij deze kosten kunnen verhalen – eerder bereid zijn om zich voor de re-integratie van hun werknemers in te zetten.
Redelijke kosten van art. 6:107a lid 3 BW
Algemeen gesproken is een schadeveroorzaker niet verplicht iedere schadebeperkende maatregel te vergoeden. Dit is hij alleen indien het een maatregel is die, in de zin van art. 6:96 lid 2 sub a BW, redelijk is. Omdat het echter in het aansprakelijkheidsrecht de schadeveroorzaker is geweest die door zijn onrechtmatig handelen de benadeelde in deze positie heeft gebracht, kan hij niet snel betogen dat een maatregel niet redelijk is. Hij is dan ook spoedig tot vergoeding van de kosten van schadebeperkende maatregelen verplicht, waaronder begrepen de redelijke kosten van iedere ingevolge art. 7:658a BW verplicht te nemen re-integratiemaatregel, evenals het door de werkgever opstellen en evalueren van een plan van aanpak.
Met de woorden “redelijke kosten” wordt tot uitdrukking gebracht dat de hoogte van de met de maatregelen gemoeide kosten redelijk moet zijn geweest. Het begrip is bekend uit art. 6:96 lid 2 BW en zal ook langs deze lijn nader kunnen worden ingevuld. Anders dan in art. 6:96 lid 2 sub a BW wordt hiermee overigens niet tot uitdrukking gebracht dat de werkgever alleen de kosten kan verhalen van maat-regelen die redelijkerwijs verantwoord waren. Het uitgangspunt is immers dat een werkgever de redelijke kosten kan verhalen van alle maatregelen die hij heeft genomen ter uitvoering van de verplichting in art. 7:658a BW om de werknemer te re-integreren. De redelijkheidstoets ziet dus niet op het nemen van de maatregelen (daarvoor is art. 7:658 BW het aanknopingspunt), maar uitsluitend op de hoogte van de met de maatregel gemoeide kosten. De beoordeling daarvan wordt overgelaten aan de feitenrechter; in de rechtspraak ziet men wel dat wordt aangeknoopt bij in de -branche gebruikelijke tarieven.
Soort kosten
Met de verplicht te nemen maatregelen kunnen onder meer de volgende kosten gemoeid zijn:
1. Kosten die verbonden zijn aan de administratieve activiteiten die de werkgever verricht of laat verrichten in verband met de re-integratie van de werknemer.Zo dient de werkgever bij dreigend langdurig ziekteverzuim aantekening te houden van het verloop van de ziekte en de re-integratie van de werknemer 2 . Elke stap in het re-integratieproces dient te worden vastgelegd. Op deze manier worden alle gegevens documenten en correspondentie gedocumenteerd die betrekking hebben op het verloop van het ziekteverzuim en de ondernomen re-integratieactiviteiten.
2. Kosten die verbonden zijn aan het opstellen en evalueren van een plan van aanpak als er nog mogelijkheden zijn om de terugkeer naar arbeid van de werknemer te bevorderen.In dit plan van aanpak wordt het perspectief op lange termijn geschetst (zoals de terugkeer naar eigen of aangepast werk) en de weg (de tussenstappen in de vorm van re-integratieactiviteiten) waarlangs men verwacht dit te bereiken.
3. Kosten die verbonden zijn aan het opstellen van een re-integratieverslag.De werkgever dient in overleg met de werknemer een re-integratieverslag op te stellen, waarin verslag wordt gedaan van de re-integratieactiviteiten die de werkgever, de werknemer en eventuele derden (waaronder de arbodienst en een re-integratiebedrijf) hebben ondernomen. Dit verslag dient de werknemer bij de aanvraag van een WIA-uitkering aan UWV te overleggen.
4. Kosten die verbonden zijn aan de activiteiten die de werknemer onderneemt met het oog op terugkeer naar arbeid mits deze activiteiten door de werkgever zijn betaald.Dit geschiedt meestal in de vorm van een re-integratietraject en daarbij kan een re-integratiebedrijf worden ingeschakeld. Welke activiteiten in een individueel geval worden ondernomen, is sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden. Het kan gaan om activiteiten gericht op de eigen of andere arbeid bij de werkgever. Dit kan een korte cursus zijn waarin enkele vaardigheden worden geleerd, maar ook een opleiding betreffen vanwege noodzakelijke om-, her- of bijscholing. Daarnaast kunnen hieronder ook activiteiten gericht op bemiddeling naar een andere werkgever vallen, zoals het volgen van een sollicitatietraining.
5. Kosten die verbonden zijn aan inspanningen die de werkgever zich getroost om (de bereikbaarheid van) de werkplek of het werk zelf aan te passen aan de beperkingen of handicap van de werknemer.Daarbij kan worden gedacht aan de omstandigheden waaronder en de hulpmiddelen waarmee de arbeid wordt verricht zoals vervoersvoorzieningen om de werkplek te kunnen bereiken (bijvoorbeeld omdat de betrokkene op een rolstoeltaxi is aangewezen) of de aanschaf van een braillecomputer, maar ook persoonlijke hulp op de werkplek zoals een doventolk of een voorleeshulp.
Onverplichte kosten
Indien overigens een werkgever in verband met ziekte van zijn werknemer maatregelen neemt of kosten maakt waartoe hij ex art. 7:658a BW of de (collectieve) arbeidsovereenkomst niet verplicht is, is niet uitgesloten dat de aansprakelijke toch tot vergoeding daarvan gehouden is. Ingevolge art. 6:107 BW is hij ook dan tot vergoeding daarvan verplicht indien de werknemer – zo hij deze kosten zelf had gemaakt – deze van de aansprakelijke had kunnen vorderen (verplaatste schade). Te denken valt aan door de werkgever ten behoeve van een zieke werknemer gemaakte medische kosten.
Mogelijke verweren
De tweede zin van art. 6:107a lid 3 BW bevat een gelijke bepaling als art. 6:107 lid 2 BW en art. 6:108 lid 3 BW. Het brengt tot uitdrukking dat de aansprakelijke – die door een werkgever tot vergoeding wordt aangesproken – dezelfde verweren kan voeren die hij jegens de werknemer kan voeren. Te denken valt aan eigen schuld van de werknemer of aan verjaring. Hieronder valt overigens niet het verweer dat de aansprakelijke niet tot vergoeding verplicht is omdat hij deze maatregelen ook niet zou hoeven te vergoeden indien zij door de werknemer waren getroffen. De eerste zin van art. 6:107a lid 3 BW verplicht immers tot vergoeding van alle maatregelen waarmee de werkgever uitvoering geeft aan zijn verplichting in art. 7:658a BW om de werknemer te re-integreren.
Collega-verweer
Er is voor gekozen om lid 3 op te nemen in art. 6:107a BW omdat zodoende de verhaalsrechten van de werkgever in verband met ziekte van zijn werknemer in één bepaling zijn opgenomen. Daarnaast is daarvoor gekozen om het verhaal van kosten van re-integratiemaatregelen op een aansprakelijke collega-werknemer aan dezelfde beperking te onderwerpen als het verhaal van doorbetaald loon (het zogenoemde “collega-verweer”).
Dit verweer is ook tegen te werpen bij verhaalsacties op grond van de WAO, de Wet WIA en de ZW.
Specifieke bepalingen in VOA, WAZ, Wajong, WAO, Wet WIA en ZW
Art. 3a VOA
Voor art. 3a VOA is zoveel mogelijk aangesloten bij de bedoeling van art. 6:107a lid 3 BW. Er is daarbij wel voor gekozen de systematiek van het BW om te zetten in de terminologie van de VOA. In art. 3 VOA wordt het verhaal op grond van art. 2 beperkt tot de kosten die de werknemer zelf ook gemaakt zou hebben. Om te voorkomen dat art. 3 VOA ook op de nieuwe bepaling van toepassing zou zijn wordt deze niet toegevoegd aan art. 2 VOA, maar neergelegd in een nieuw art. 3a. Met dit wetsvoorstel wordt immers juist verduidelijkt dat voor het verhaal van re-integratiekosten niet relevant is of de werknemer deze kosten zelf ook gemaakt zou hebben.
Re-integratieplicht UWV
In de art. 69 WAZ, 61 Wajong, 90 WAO en 99 Wet WIA worden de op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en de daarop berustende bepalingen (voor UWV) geldende verplichtingen tot inschakeling in de arbeid genoemd. Deze wet wordt genoemd omdat in art. 30 lid 1, onderdeel b Wet SUWI de re-integratietaak voor UWV is opgenomen. Deze re-integratietaak kan UWV vervullen door de inkoop van re-integratietrajecten of afzonderlijke re-integratiediensten op grond van art. 30 lid 6 Wet SUWI. Maar die taak kan tevens worden ingevuld door de inzet van re-integratie-instrumenten die in de diverse materiewetten worden genoemd. Als voorbeelden hiervan kunnen worden genoemd de loonsuppletie (art. 67a WAZ), de voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar de arbeid als zelfstandige van jonggehandicapten (art. 59b Wajong), arbeidsplaatsvoorzieningen (art. 35 Wet WIA), subsidie voor werkgevers voor meerkosten van arbeidsplaatsaanpassingen (art. 36 Wet WIA) of de mogelijkheid van proefplaatsing (art. 65g WAO en art. 52e ZW).
Wat de WAZ betreft wordt opgemerkt dat sinds de inwerkingtreding van de Wet einde toegang verzekering WAZ er geen nieuwe instroom in de WAZ meer plaatsvindt. Wel kunnen op grond van hoofdstuk 3a van de WAZ aan personen die (nog) een WAZ-uitkering ontvangen, bepaalde re-integratie-instrumenten worden verstrekt.
In art. 61 Wajong is de zinsnede “en de aansprakelijke jegens de ingezetene die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt” opgenomen, omdat UWV op grond van art. 30 Wet SUWI ook een re-integratietaak ten opzichte van deze persoon heeft. Ook voor deze persoon kunnen dus kosten zijn gemaakt die moeten worden verhaald.
Naast het treffen van re-integratiemaatregelen kan UWV ingevolge art. 35 en 36 Wet WIA in bepaalde gevallen ook voorzieningen of subsidies verstrekken aan een werknemer of diens werkgever ter bevordering van de re-integratie deze werknemer. Te denken valt aan een subsidie voor aanpassing van een werkplek of ten behoeve van een vervoersvoorziening. Art. 99 lid 4 Wet WIA biedt voor UWV ook voor de kosten daarvan een verhaalsrecht.
Opgemerkt wordt dat in art. 99 lid 4 Wet WIA naast “de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet” tevens “de persoon met een naar het oordeel van UWV structurele functionele beperking” wordt genoemd. Reden hiervoor is dat UWV op grond van art. 35 Wet WIA ook arbeidsplaatsvoorzieningen kan verstrekken aan personen met een naar het oordeel van UWV structurele functionele beperking. Deze persoon kan tevens verzekerde in de zin van de Wet WIA zijn, te weten als hij al in dienstbetrekking arbeid verricht, maar hoeft dat niet te zijn. Dat laatste is het geval als UWV hem op grond van art. 35 een arbeidsplaatsvoorziening verstrekt in het kader van het gaan verrichten van arbeid in dienstbetrekking. Ook voor deze persoon kunnen op grond van de Wet WIA dus kosten voor re-integratiemaatregelen zijn gemaakt.
Onmiddellijke werking
Aan de nieuwe bepaling komt – ook in procedures die al lopen op het moment van inwerkingtreding – ex art. 68a en 74 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (OBW) onmiddellijke werking toe. In het bijzonder wordt gewezen op art. 74 lid 2 OBW. Daarin wordt de mogelijkheid gegeven aan partijen om hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan de nieuwe bepaling.
In art. 101c WAZ, respectievelijk 76 Wajong, 91e WAO, 128 Wet WIA en 93 ZW wordt geregeld dat partijen de mogelijkheid krijgen om hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan het voorgestelde art. 69 lid 3 WAZ, respectievelijk 61 lid 3 Wajong, 90 lid 4 WAO, 99 lid 4 Wet WIA en 52a ZW. Deze overgangsbepalingen komen overeen met art. 74 lid 2 OBW.
Art. 74 OBW luidt:
1. Het van toepassing worden van de wet heeft geen gevolg voor de bevoegdheid van de rechter voor wie voordien een geding is aangevangen, noch voor de aard van dat geding en voor de rechtsmiddelen tegen de uitspraak.
2. In gedingen als bedoeld in lid 1 bepaalt de rechter op verzoek van een der partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan de wet of aan deze of een der volgende titels. Stelt de rechter partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts gelijktijdig met de einduitspraak open.
3. Het tevoren geldende recht blijft van toepassing, indien een geding als bedoeld in lid 1, in hoogste feitelijke instantie in staat van wijzen verkeert op het tijdstip waarop de wet van toepassing wordt, tenzij de rechter tot voortzetting van het geding beslist.
4. In een geding ter zake van een cassatieberoep tegen een, vóór het van toepassing worden van de wet tot stand gekomen, uitspraak blijft het voordien geldende recht van toepassing. Dit geldt mede voor de verdere behandeling van de zaak door het recht waarnaar na cassatie is verwezen, tenzij de zaak als gevolg van de cassatie door dat gerecht in haar geheel opnieuw moet worden behandeld.
(Niet) Verhaalbaarheid van re-integratiekosten gemaakt vóór 13 juni 2008
Over de uitleg van de onmiddellijke werking van de wet is enige discussie ontstaan, waarbij de volgende opvattingen worden verdedigd:
A. Alle kosten – voor zover het vorderingsrecht ter zake niet is verjaard – zijn verhaalbaar in lopende en afgesloten zaken, ongeacht of de kosten zijn gemaakt vóór of na 13 juni 2008;
B. Alle kosten gemaakt na 13 juni 2008 zijn verhaalbaar ongeacht de datum van het ongeval;
C. Uitsluitende die kosten zijn verhaalbaar voor zover zij betrekking hebben op ongevallen na 13 juni 2008.
Op het gewijzigde art. 107a BW is overgangsrecht van toepassing, waarbij art. 68a OBW en art. 69 OBW van belang zijn.
Art. 68a OBW luidt:
1. Van het tijdstip van haar in werking treden af is de wet van toepassing, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door de wet voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de volgende artikelen iets anders voortvloeit.
2. Voor zover en zolang op grond van de volgende artikelen de wet niet van toepassing is, blijft het vóór haar in werking treden geldende recht van toepassing.
Art. 69 OBW luidt:
Wanneer de wet van toepassing wordt, heeft dat niet tot gevolg dat alsdan:
1. iemand het vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren geldende recht had verkregen;
2. een schuld op een ander overgaat;
3. het bedrag van een vordering wordt gewijzigd;
4. een vorderingsrecht ontstaat, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid;
5. een goed met een beperkt recht wordt belast.
Uit het bepaalde in art. 68a lid 1 in samenhang met het bepaalde in art. 69 sub d OBW zal het recht op vergoeding van re-integratiekosten niet door het enkele in werking treden van de wet ontstaan, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, al voordien waren voltooid. Hiermee wordt bedoeld de vereisten voor aansprakelijkheid (onrechtmatige gedraging, toerekenbaarheid, schade, -causaal verband en relativiteit). Dit betekent dat de wet slechts gevolgen zal meebrengen ten aanzien van kosten die zijn gemaakt na het in werking treden van de wet, daarom kosten gemaakt na 13 juni 2008. Aangenomen moet worden dat voor de werkgever pas een vorderingsrecht ontstaat op het moment dat hij deze kosten maakt.
De sub A verdedigde opvatting (ook kosten gemaakt vóór het in werking treden van de wet zijn verhaalbaar) lijkt niet juist omdat ten aanzien van die kosten al was voldaan aan alle door de wet voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten. Bij dit standpunt wordt onmiddellijke werking op een lijn gesteld met terugwerkende kracht.
De opvatting sub C (alleen kosten verhaalbaar indien het ongeval na 13 juni 2008 heeft plaatsgevonden) is echter in strijd met de onmiddellijke werking die aan de wet is toegekend. Indien de wetgever het verhaalsrecht wilde beperken tot de kosten voortvloeiende uit ongevallen, welke zijn ontstaan na de invoering van de wet, dan zou hiertoe een apart artikel zijn opgenomen.
Meest juist lijkt derhalve de sub B weergegeven opvatting, inhoudende dat de kosten gemaakt na 13 juni 2008 verhaalbaar zijn ongeacht de datum van het ongeval.
UWV
Door UWV worden daarnaast de volgende argumenten aangevoerd om op basis van de nieuwe wet verhaal mogelijk te maken van re-integratiekosten gemaakt vóór 13 juni 2008:
a) De wetgever heeft niet het introduceren van nieuwe wetgeving beoogd, maar het wegnemen van discussiepunten over een al bestaand verhaalsrecht;
b) Nu de rechter partijen in een lopende procedure de mogelijkheid biedt om hun eisen aan te passen aan de nieuwe wet, houdt dit in dat ook de voor de aanvang van de procedure (dus inclusief vóór 13 juni 2008) gemaakte -re-integratiekosten voor verhaal in aanmerking komen.
Deze argumenten kunnen worden weerlegd:
Ad a
De wetswijzigingen vormen geen codificatie van al bestaand recht. De re-integratiekosten waren vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet weliswaar verhaalbaar op basis van een aan UWV toekomend eigen regresrecht, maar met toepassing van het civiele plafond. Het civiele plafond beperkt het verhaalsrecht. Bij toepassing van het civiele plafond is immers de conclusie dat de benadeelde zelf geen verhaalsrecht zou hebben gehad, nu de aanvrager en gerechtigde de werkgever op grond van zijn eigen wettelijke verplichting tot re-integratie kan zijn. In dat geval heeft de benadeelde geen verhaal dat overgaat op UWV aangezien het kosten betrof die de werkgever zou hebben gemaakt.
Ad b
Art. 74 OBW is een algemene overgangsbepaling. Uit die bepaling kunnen geen conclusies worden getrokken over terugwerkende kracht van de wet. Een partij (eiser) kan ook zijn stellingen en eis aanvullen in die zin dat hij alsnog na 13 juni 2008 gemaakte re-integratiekosten verhaalt.
UWV kan zich derhalve met betrekking tot kosten gemaakt vóór 13 juni 2008 niet op de nieuwe artikelen beroepen, maar dient de verhaalbaarheid te toetsen aan de vóór 13 juni 2008 bestaande regelingen.
1. Zie HR 23 april 1976, NJ 1976, 451; HR 23 december 1994, NJ 1996, 349; en HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564.
2. Zie bijv. art. 25, lid 1 Wet WIA.
Bron: mr. P.J.M. Houben (Achmea Claims Center)
PIV-Buletin 2009-1
|
|
|
|