Hulp nodig bij letselschade verhalen?
Bel vrijblijvend naar 010 - 4677500 voor meer informatie

Verzekeringsplicht van de werkgever bij verkeersongevallen

In de arresten Vonk/Van der Hoeven 1 en Bont/Oudenallen 2 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat op een werkgever de plicht rust een verzekering af te sluiten voor werknemers die zich in de uitoefening van de werkzaamheden als bestuurder van een motorvoertuig op de openbare weg bevinden. Deze bescherming voor werknemers bestaat in beginsel niet voor ongevallen tijdens woon-werkverkeer. Weliswaar is in het arrest Bont/Oudenallen hierop een uitzondering geformuleerd voor het vervoer dat op Ă©Ă©n lijn is te stellen met vervoer krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, doch uit het arrest NCM Eurocollect Detachering 3 lijkt te kunnen worden opgemaakt dat hiervan slechts incidenteel sprake is.

De aansprakelijkheid op grond van art. 7:611 BW brengt niet zonder meer een onbeperkte aansprakelijkheid met zich. Uit de door de Hoge Raad in februari 2008 gewezen arresten Maasman/Akzo Nobel 4 en Kooiker/Taxicentrale Nijverdal 5 – de zogenoemde februari–arresten – blijkt dat een werkgever verplicht is voor werknemers die zich in de uitoefening van de werkzaamheden als bestuurder van een motorvoertuig op de openbare weg bevinden zorg te dragen voor een “behoorlijke verzekering”. Indien de werkgever ten onrechte geen behoorlijke verzekering heeft afgesloten, is de werkgever verplicht de schade te vergoeden, die de werknemer heeft geleden ten gevolge van die tekortkoming: de werkgever hoeft slechts schade te vergoeden voor zover deze met een behoorlijke verzekering zou zijn gedekt.

In december 2008 heeft de Hoge Raad opnieuw drie arresten gewezen over de aansprakelijkheid voor werkgerelateerde arbeidsongevallen in het gemotoriseerde verkeer, die in dit artikel zullen worden besproken. Na een korte bespreking van deze drie arresten, zal ik in dit artikel ingaan op de reikwijdte van art. 7:658 BW bij verkeersongevallen, de aanvullende zorgplicht ex art. 7:611 BW, de vraag of eenzelfde verzekeringsplicht bestaat voor fietsers en voetgangers en het onderscheid tussen woon-werkverkeer en het verkeer dat op Ă©Ă©n lijn te stellen is met vervoer krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst.

Hoge Raad 12 december 2008, LJN BD3129 (Maatzorg/verzorgingshulp)
In het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2008 komt onder meer de in de literatuur 6 vaak opgeworpen vraag aan de orde of de verplichting om een behoorlijke verzekering af te sluiten eveneens bestaat voor de fietsende en lopende werknemer. Het arrest handelt over een verzorgingshulp, die zich in de uitoefening van haar werkzaamheden per fiets van huis naar huis verplaatste en daarbij is gevallen ten gevolge van gladheid. De schade die de verzorgingshulp daarbij opliep was niet verzekerd. De verzorgingshulp beriep zich vervolgens op de aansprakelijkheid ex art. 7:611 BW en art. 7:658 BW. Volgens de Hoge Raad bestaat geen rechtvaardiging om bij de verzekeringsplicht van werkgevers een onderscheid te maken tussen werknemers die zich per auto verplaatsen en werknemers die een niet-gemotoriseerd voertuig besturen, zoals een fiets.

Hoge Raad 19 december 2008, LJN BD7480 (Febo)
De twee andere arresten handelen over de afbakening tussen het normale woon-werkverkeer en het vervoer dat op Ă©Ă©n lijn te stellen is met vervoer krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. In het arrest HR 19 december 2008 ging het om een verkoopmedewerkster van de fastfoodketen Febo die op 28 augustus 2000 in een filiaal in Tiel moest werken, in plaats van het filiaal in Gorinchem, waar zij normaal werkzaam was. Op weg naar Tiel is haar in een door Febo ter beschikking gestelde auto een eenzijdig ongeval overkomen. Ondanks dat de werkgever een ongevalleninzittendenverzekering had afgesloten, had deze verzekeraar niets uitgekeerd. De reden daarvan is gedurende de procedure onbekend gebleven. Volgens het hof was sprake van verkeer dat op Ă©Ă©n lijn was te stellen met vervoer krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Vaststond dat Febo het rooster had gemaakt, dat de verkoopmedewerkster op initiatief van Febo was ingeroosterd in Tiel en dat de verkoopmedewerkster vervolgens eerst naar de vestiging in Gorinchem was gegaan en vervolgens in de door Febo ter beschikking gestelde auto naar Tiel is vertrokken. Volgens het hof was de werkgever echter niet aansprakelijk, mede gelet op het feit dat de verkoopmedewerkster slechts incidenteel voor haar werkgever aan het verkeer deelnam en er bovendien een ongevalleninzittendenverzekering was afgesloten 7 . Het oordeel van het hof, dat geen sprake was van normaal woon-werkverkeer, getuigt volgens de Hoge Raad niet van onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de verplichting om zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering afhangt van de vraag of de werknemer structureel dan wel incidenteel voor de werkgever aan het verkeer deelneemt. Bovendien heeft het hof nagelaten te onderzoeken of de door de werkgever afgesloten verzekering als behoorlijk had te gelden. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het arrest naar het Hof Amsterdam.

Hoge Raad 19 december 2008, LJN BG7775 (Autostar)
Tot slot heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2008 geoordeeld over de volgende situatie. Een werknemer van automobielbedrijf Autostar had in de nacht van 21 op 22 juli 1998 een verplichte nooddienst, wat inhield dat hij dag en nacht telefonisch bereikbaar diende te zijn en indien nodig met een ambulance zo spoedig mogelijk naar de plaats van inzet diende te gaan. Om de tijd te besparen die het zou kosten om eerst vanaf het eigen woonhuis te rijden naar de garage van Autoster, namen sommige medewerkers een ambulance mee naar huis. Op de ochtend van 22 juli 1998 overkwam de medewerker in een autoambulance op weg naar zijn normale werkplek een ongeval. Het hof oordeelde dat geen sprake was van woon-werkverkeer. Het oordeel van het hof, dat het vervoer plaatsvond krachtens verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, is volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk gemotiveerd, onder andere op grond van de volgende omstandigheden:

1. dat de werknemer, omdat hij nooddienst had, ten tijde van het ongeval rechtmatig gebruik maakte van de ambulance op een wijze die in overeenstemming was met de aan hem opgedragen taak;

2. dat op-en-neer rijden naar het bedrijf van de werkgever en daarmee gepaard gaand tijdverlies in geval van een oproep werd voorkomen doordat de werknemer de ambulance al onder zich had; en

3. dat werknemers die nooddienst hadden, permanent bereikbaar dienden te zijn.

De Hoge Raad laat het arrest van het hof in stand.

Zoals aangekondigd zal ik na deze korte uiteenzetting de drie arresten nader bespreken, beginnend bij wat in het arrest Maatzorg/verzorgingshulp is overwogen ten aanzien van de reikwijdte van art. 7:658 BW.

Reikwijdte art. 7:658 BW
De Hoge Raad is in het arrest Maatzorg/verzorgingshulp uitgebreid ingegaan op meerdere onderwerpen die samenhangen met de aansprakelijkheid van werkgevers voor verkeersongevallen. Zo heeft de Hoge Raad naar aanleiding van het oordeel van het hof – dat een ongeval van een op de openbare weg bevindende fietsende werknemer niet wordt beheerst door art. 7:658 BW 8 – een uiteenzetting gegeven met betrekking tot de reikwijdte van dit artikel.

De Hoge Raad benadrukt opnieuw dat de zorgplicht ex art. 7:658 BW een ruime strekking heeft. Deze ruime strekking geldt echter in de eerste plaats voor de werkzaamheden die worden verricht op de arbeidsplaats. De zorgplicht van de werkgever houdt immers nauw verband met zijn zeggenschap over de werkplek en zijn bevoegdheid aanwijzingen te geven over de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. Echter: ook indien de werknemer op plaatsen komt die niet als arbeidsplaats kunnen worden aangemerkt, zoals onder meer de openbare weg, kan de zorgplicht van art. 7:658 BW meebrengen dat de werkgever verplicht is de schade te vergoeden die een werknemer op deze openbare weg heeft geleden. De Hoge Raad denkt onder meer aan de zorgplicht om een veilig voertuig ter beschikking te stellen en de zorgplicht van het geven van instructies en voorschriften die de veiligheid kunnen bevorderen. Daaraan voegt de Hoge Raad wel toe dat de omvang van deze zorgplicht slechts beperkt kan zijn, gelet op het feit dat de werkgever geen invloed kan uitoefenen op een groot aantal factoren die kunnen bijdragen aan het ontstaan van verkeersongevallen.

Deze overweging van de Hoge Raad is niet verrassend. In de literatuur is al aangegeven dat het overgrote deel van de auto-ongevallen niets van doen heeft met de schending van een zorgplicht, doch dat er omstandigheden denkbaar zijn dat de werkgever een zorgplicht heeft geschonden 9 .

Aanvullende zorgplicht: 7:611 BW
Juist vanwege het feit dat de werkgever slechts over beperkte mogelijkheden beschikt om maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven om de gevaren in het verkeer te verminderen (zodat de werknemer veelal geen baat heeft bij de bescherming van art. 7:658 BW), is de aanvullende zorgplicht ex 7:611 BW door de Hoge Raad aangenomen.

Zoals eerder aangegeven heeft de Hoge Raad deze aanvullende zorgplicht ingevuld met een verzekeringsplicht 10 . Maar wat is nu een ‘behoorlijke’ verzekering? Volgens de Hoge Raad zal de omvang van de verzekeringsplicht van geval tot geval nader moeten worden vastgesteld: het antwoord op de vraag of een door een werkgever afgesloten verzekering behoorlijk is, wordt overgelaten aan de feitenrechters. Naar aanleiding hiervan hebben de auteurs Van Boom, Kooten en Schneider een aantal op dit moment gangbare verzekeringen met elkaar vergeleken. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat de verschillen daartussen aanzienlijk zijn, zodat het een moeilijke opgave is om hier een oordeel over te vellen 11 . Mede naar aanleiding hiervan heeft A-G Spier de Hoge Raad in zijn conclusie bij het arrest Maatzorg/verzorgingshulp verzocht een nadere invulling te geven aan de eisen van een behoorlijke verzekering, door bijvoorbeeld een indicatie te geven van de gewenste omvang van de dekking. De Hoge Raad heeft hier echter geen gehoor aan gegeven.

Tot slot heeft de Hoge Raad in het Febo–arrest de vraag beantwoord of de frequentie van het gebruik van de auto meespeelt bij de vraag of de werkgever verplicht is een behoorlijke verzekering af te sluiten. In de literatuur werd al gevraagd of een dergelijk criterium hanteerbaar en rechtvaardig is 12 . Naar het oordeel van de Hoge Raad kan ten aanzien van de verzekeringsplicht geen onderscheid worden gemaakt tussen werknemers die structureel en werknemers die slechts incidenteel in de uitoefening van de werkzaamheden aan het verkeer deelnemen. Het is echter onduidelijk gebleven of de frequentie van het gebruik van de auto in de uitoefening van de werkzaamheden nog meespeelt bij de vraag, wat in een bepaald geval een behoorlijke verzekering is.

Fietsers en voetgangers
Bestaat de hiervoor omschreven verzekeringsplicht eveneens indien een werknemer als fietser of als voetganger in de uitoefening van de werkzaamheden aan het verkeer deelneemt? Deze vraag komt in de kernoverweging van het arrest Maatzorg/verzorgingshulp aan de orde. De Hoge Raad overweegt dat het bij zowel gemotoriseerde voertuigen als bij voetgangers en fietsers gaat om risico’s, die zijn verbonden aan deelneming aan het verkeer op de weg. Voorts benadrukt de Hoge Raad dat vooral fietsers en voetgangers bijzonder kwetsbaar zijn ten opzichte van de gemotoriseerde verkeersdeelnemers. Daarom komt de Hoge Raad tot het oordeel dat de hiervoor gestelde vraag bevestigend dient te worden beantwoord.

Hoewel vraagtekens bij dit arrest zijn te plaatsen (waar ik hierna kort op terugkom) leek de Hoge Raad niet anders te kunnen oordelen. Zoals de Hoge Raad zelf ook aangeeft, zouden anders ongerechtvaardigde verschillen ontstaan tussen werknemers aan wie een verkeersongeval overkomt in motorvoertuigen en andere aan het verkeer deelnemende werknemers.

Blijkt nu uit dit arrest dat, evenals voor een bestuurder van een motorrijtuig, een behoorlijke verzekering moet worden afgesloten voor de fietser die tegen een boom aanrijdt? En geldt hetzelfde voor de voetganger die over een bananenschil uitglijdt? Oftewel: geldt de verzekeringsplicht ook voor een eenzijdig ongeval van de fietsende en lopende werknemer? De Hoge Raad: “Voor fietsers en voetgangers geldt als zodanig het risico van letsel- of zaakschade als gevolg van een ongeval waarbij een of meer voertuigen zijn betrokken, en voor fietsers geldt tevens het risico van letsel- of zaakschade als gevolg van een eenzijdig ongeval dat plaatsvindt tijdens het vervoer per fiets.”

De Hoge Raad lijkt hiermee de in de literatuur 13 veel benoemde “over zijn eigen voeten struikelende postbode” en de “over een bananenschil uitglijdende voetganger” uit te sluiten. De verzekeringsplicht rust echter wel op de fietser die een eenzijdig ongeval overkomt. De vraag is waar de rechtvaardiging van dit onderscheid op berust 14 .

Daarnaast is het de vraag of de verzekeringsmogelijkheden voor fietsende en lopende werknemers ten tijde van het ongeval van de verzorgingshulp bestonden. Opmerkelijk is daarbij dat de Hoge Raad in zijn februari–arresten en opnieuw in het arrest Maatzorg/verzorgingshulp heeft benadrukt dat bij de beantwoording van de vraag of een werkgever een behoorlijke verzekering heeft afgesloten, in het bijzonder betekenis wordt toegekend aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden. Hoewel de Hoge Raad in het arrest aanneemt dat dergelijke risico’s van fietsers en voetgangers eveneens goed verzekerbaar zijn tegen betaalbare premies, is deze aanname van de Hoge Raad op zijn minst kwestieus. Mij is een dergelijke verzekering niet bekend. Naar alle waarschijnlijkheid zullen verzekeraars naar aanleiding van dit arrest een nieuwe verzekering moeten creĂ«ren 15 .

Veel verzekeraars hebben ten gevolge van de al eerder aangenomen verzekeringsplicht voor werkgevers voor bestuurders van motorrijtuigen de third party verzekering ‘werkgeversaansprakelijkheidsverzekering inzake bestuurders van motorrijtuigen’ aangeboden. Zoals ook uit de benaming blijkt, heeft deze verzekering betrekking op de aanspraken van werknemers op grond van art. 7:611 BW. Het lijkt mij mogelijk om deze verzekering breder te redigeren, zodat de fietsende werknemer en de voetganger hier eveneens onder vallen. Indien de verzekering echter een algemene aansprakelijkheidsdekking biedt voor goed werkgeverschap, bestaat mijns inziens het gevaar dat het risico moeilijk is in te schatten, gezien het (mogelijk nog verder) uitdijen van aansprakelijkheid op grond van art. 7:611 BW.

Woon-werkverkeer
Zoals hiervoor besproken, heeft de Hoge Raad op 19 december 2008 twee arresten gewezen over het onderscheid tussen woon-werkverkeer en het vervoer dat op Ă©Ă©n lijn te stellen is met vervoer krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst (het ‘bijzonder’ woon-werkverkeer). In het licht van het eerder gewezen NCM–arrest zijn deze nieuwe arresten en vooral het Autoster–arrest mijns inziens opmerkelijk te noemen. Een verklaring hiervoor zou echter kunnen worden gezocht in het volgende.

A-G Spier heeft zich in de conclusie bij het Autoster–arrest afgevraagd of het niet mogelijk zou zijn om voor woon-werkverkeer een duidelijke regel te formuleren. Hij komt echter tot de conclusie dat het maken van hard and fast rules als ook de in het NCM–arrest geformuleerde maatstaf (gaat het om vervoer dat met zodanige regels en plichten is omschreven dat het grote overeenkomsten vertoont met vervoer krachtens de arbeidsovereenkomst?) niet voor alle casus duidelijkheid biedt. Hij benadrukt dat het hachelijk is om te proberen rechtseenheid te brengen in kwesties als de onderhavige, die nauw zijn verweven met de beoordeling van feiten en dat het daarom voorkeur verdient de beoordeling in cassatie te beperken.

De Hoge Raad lijkt in het Febo–arrest met dit betoog van Spier mee te gaan door uitdrukkelijk aan te geven dat de vraag of sprake is van gewoon of bijzonder woon-werkverkeer, aan de feitenrechter ter beoordeling staat 16 . Wel heeft de Hoge Raad in het Febo–arrest Ă©Ă©n algemene regel voor deze beoordeling gegeven: in beginsel is vervoer tussen twee verschillende arbeidsplaatsen geen woon-werkverkeer.

In dit kader merk ik tot slot op dat de discussie over de scheidslijn tussen ‘gewoon’ woon-werkverkeer en ‘bijzonder’ woon-werkverkeer in de toekomst mogelijk minder relevant zal zijn, indien werkgevers naar aanleiding van de februari–arresten massaal een schade-inzittendenverzekering of ongevalleninzittendenverzekering afsluiten. In dat geval is het ‘normaal’ woon-werkverkeer immers in beginsel evenzeer gedekt als het ‘bijzonder’ woon-werkverkeer.

Slotsom
In de drie hiervoor besproken arresten is onder meer duidelijk geworden dat een werkgever een behoorlijke verzekering moet afsluiten voor zijn werknemer die in de uitoefening van zijn werkzaamheden met een motorvoertuig, een ongemotoriseerd voertuig of als voetganger aan het verkeer deelneemt. Daarmee worden de werknemers die risico’s lopen in het verkeer beschermd, zelfs indien de werkgever geen zorgplicht heeft geschonden. De vraag is echter wat de rechtvaardiging is van het verschil met de werknemer die mogelijk nog grotere risico’s loopt in de uitoefening van de werkzaamheden buiten het verkeer en die nul op het rekest krijgt, omdat de werkgever geen zorgplicht heeft geschonden 17 .

Naar aanleiding hiervan stelt Spier voor in de toekomst werkgevers te verplichten om voor alle ongevallen in werkverband een redelijke verzekering af te sluiten 18 . Deze verplichting zou volgens hem voortvloeien uit art. 7:611 BW 19 . Vaststaat echter dat de Hoge Raad ook in de recent gewezen arresten geen verzekeringsplicht heeft aangenomen buiten de verkeersongevallen. Volgens de auteurs Boom, Van Kooten en Schneider heeft de Hoge Raad in de februari–arresten bovendien voorzichtig willen zijn met het verder uitbreiden van de verzekeringsplicht buiten het verkeer 20 . Het lijkt ook meer een taak van de wetgever om een dergelijk ruime verplichting aan te nemen: de wetgever heeft in het huidige boek 7 immers geen risicoaansprakelijkheid op de werkgever gelegd.

1. HR 12 januari 2001, NJ 2001, 253.
2. HR 9 augustus 2002, NJ 2004, 235.
3. HR 30 november 2007, JA 2008, 32.
4. HR 1 februari 2008, JAR 2008, 56.
5. HR 1 februari 2008, JAR 2008, 57.
6. Zie onder meer A. Kolder, ‘De aansprakelijkheid van de werkgever voor schade door verkeersongevallen’, MvV 2008, nr. 4, p. 74.
7. Zie Hof Den Haag 23 maart 2007, JA 2007, 101.
8. Nu de openbare weg volgens het hof niet binnen het gezagsgebied van de werkgever valt.
9. In de literatuur leek men hier ook vanuit te gaan. Zie onder meer de noot van H. de Boer onder Hof Den Haag 23 maart 2007, JA 2007, 101. De Hoge Raad wijst zelf in het arrest Maatzorg/verzorgingshulp op het arrest van 19 oktober 2001, NJ 2001, 663 (PTT Post/Baas).
10. Uit het arrest Maatzorg/verzorgingshulp volgt dat een dergelijke verzekeringsplicht niet alleen bestaat voor werkgerelateerde arbeidsongevallen op de openbare weg, maar eveneens voor deze ongevallen op de arbeidsplaats. Daarbij merkt de Hoge Raad wel op dat de kans in die gevallen wel groter is, dat een werkgever kan worden aangesproken op grond van art. 7:658 BW.
11. W.H. Boom , G.N. van Kooten en P.L.M. Schneider, ‘Compensatie van verkeersletsel van werknemers: wat is een behoorlijke verzekering?’ ArA 2008, nr. 2, p. 43-60. Deze verschillen vloeien onder meer voort uit het feit dat sommige verzekeringen op basis van afdeling 6.1.10 BW uitkeren (third party verzekeringen) en in andere verzekeringen in de polis wordt bepaald wat als schade heeft te gelden (first party verzekeringen).
12. Zie de noot van H. de Boer onder Hof Den Haag 23 maart 2007, JA 2007, 101.
13. Zie onder meer A. Kolder, ‘De aansprakelijkheid van de werkgever voor schade door verkeersongevallen’, MvV 2008, nr. 4,p. 74.
14. Anderzijds zou kunnen worden betoogd dat de Hoge Raad in deze overweging geheel in het midden laat of de werkgever een verzekeringsplicht heeft voor de voetganger, die een eenzijdig ongeval overkomt. Met die lezing heeft de Hoge Raad slechts aan willen geven dat de verzekeringsplicht in elk geval geldt indien de werknemer als voetganger schade oploopt ten gevolge van een ongeval waarbij een voertuig is betrokken.
15. Ik ga er daarbij vanuit dat bij de gemiddelde Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven art. 7:611 BW van dekking is uitgesloten.
16. Opvallend is echter dat de Hoge Raad in het Febo–arrest vervolgens overweegt dat het oordeel van het hof dat sprake is van bijzonder woon-werkverkeer niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Hieruit kan worden afgeleid de Hoge Raad wel degelijk inhoudelijk toetst.
17. Denk bijvoorbeeld aan de werknemer op een boorplatform.
18. Zie de conclusie van A-G Spier onder het Maatzorg–arrest, onder randnummer 8.
19. Naar ik begrijp bestaat een dergelijke verplichting al in ons buurland België.
20. W.H. Boom , G.N. van Kooten en P.L.M. Schneider, ‘Compensatie van verkeersletsel van werknemers: wat is een behoorlijke verzekering?’ ArA 2008, 2, p. 60. Bron: PiV-Bulletin 2009-1

bron: mr. L.N. Portharst (Kennedy Van der Laan Advocaten)
PIV-Bulletin 2009, 1



Wat kan Burgers schaderegelings- bureau voor u doen?

Burgers Schaderegelingsbureau  houdt zich uitsluitend bezig met Leselschaderegeling t.b.v. slachtoffers, Er zijn dus geen bindingen met aanspra- kelijkheidsverzekeraars!
 

Burgers Schaderegelingsbureau B.V. regelt een zaak vanaf het begin tot en met het einde.